Baan van Beek naar Bladel in 1788 aangelegd

De mooie Bredasche Baan werd niet alleen voor militaire doeleinden aangelegd in 1788

Op het eind van de Tachtigjarige Oorlog werden de Noordelijke Nederlanden in 1648 onafhankelijk, terwijl de Zuidelijke onder Spaans Oostenrijkse invloedssfeer bleven. Op 5 november 1785 werden bij het Tractaat van Fontainebleau de zuidelijke grenzen van ons huidige land opnieuw vastgesteld. Dit in verband met een conflict over de Schelde. Tot dan toe liep de belangrijke route van Breda naar Luik en Maastricht keurig over het grondgebied van de Republiek. Via Lommel, Postel, Reusel, Hooge Mierde, Tulder , Poppel en Alphen ging het via heisporen naar Breda. Vanwege de handel maar vooral uit militair oogpunt moest er snel een nieuwe route komen die niet over ‘vijandelijk gebied’ liep.
In 1787 stelde drossaard Benjamin van der Borch vast dat voor 3000 gulden, deels nieuw en deels over bestaande wegen, een nieuwe baan aangelegd zou gaan worden.

Allereerst over Riel en Goirle tot Hilvarenbeek. Dan moest er een nieuwe baan gemaakt worden vanaf het Hoogeind tot Dun ter lengte van 550 roeden (1 roede = 12 voet = 3,767 meter). Het traject van Dun tot Netersel bedroeg aanvankelijk 1110 roeden. De weg tussen Netersel en Bladel was goed genoeg om gebruikt te worden. Begin 1788 kwamen de Drossaard van Breda en de Rentmeester-Generaal der Domeinen tot overeenstemming: zullen de oude dijcken, die er van Breda tot een eijnde door Hilvarenbeek zijn wat moeten verbeterd worden, opgeworpen over Dun op Netersel welke lang zal zijn 1660 rhijnlandsche roede.
Het moeilijkste stuk tussen Breda en Luik bleek het gedeelte tussen de Flaes en het Goor te zijn. Voor de uitvoering van de aanleg bleken de mensen uit de streek geen interesse te hebben. Vooral Oost-Friezen en Oldeburgers werden ingehuurd. In 1863 wist een 95-jarige Esbekenaar nog te verklaren dat hij nog zeer goed wist dat den weg werd gemaakt, waartoe er een groot getal kruiwagens van elders waren aangevoerd! Nadat ir. J. L. van der Meer het bestek en de begroting had gemaakt, werd het karwei in 1788 in Den Bosch aanbesteed.

De aannemer was Adam Canters uit Terheijden. De breedte van de nieuwe dijk bedroeg 11,30 meter. Aan beide kanten kwamen sloten van 10 voeten breed en 4 voeten diep. Het fietspad (oorspronkelijk voetpad) aan de westkant is pas in 1904 aangelegd. Het gedeelte tussen Dun en de Flaes was de voormalige gemeynt van de Dunse boeren, die reeds in eigendom van de gemeente was. Het gedeelte tussen het Hoogeind en Dun sneed dwars door de Cromschutten. Dat waren oude Esbeekse hooibeemden. In de bocht bij Dun ging de dijk over de oude ‘plaatse’ van dit gehucht. Het kruispunt juist voor de witte brug is eigenlijk een markant punt. Hier kruisen de Bredasche Baan uit 1788 en de Bossche Weg uit de Middeleeuwen elkaar. Zullen er mensen wegblijven bij ‘den Bok’ vanwege … deze onverharde zanddijk?

Vergelijkbare berichten