Het verdwenen Mariakapelletje in de Burgstad uit 1643

Het ‘alternatieve Mariakapelletje’ aan de Beverbrug op de Biest werd in 2006 gebouwd

In Hilvarenbeek en omgeving kennen we veel rivierovergangen waar oorspronkelijk een ‘voirde’ ingericht was. Op veel plaatsen kwamen daar de bruggen. Het eerste element bij een ‘voirde-toponiem’ geeft vaak de omstandigheid van de oversteekplaats aan. In de uitgifte van de gemeynt van de Biest van 1328 wordt uiteraard, naast de Steenvoirt, ook de grenspaal bij het nieuwe Mariakapelletje genoemd: Beversbrugge. In een akte van 18 januari 1428 worden de inwoners van de Biest die binnen die grenspalen wonen er nog eens op geattendeerd dat sij sullen mogen pooten alle wassende boomen ende dat sij die sullen mogen afhouwen tot hunnen gemeynen oirbaer ende daarmede henne bruggen te bouwen. Het eerste element in ‘Beversbrugge’ heeft mijns inziens geen betrekking op de daar alom vermeende bedevaart, maar ook niet op een voirde. Hier hebben we te maken met een oude brug die het vergeten kenmerk ‘bever’ met zich meedraagt. En dat had alleen maar betrekking op de kleur van het water dat er onder doorstroomde. Het betekende: brug over het roodbruine water. En dat water wordt nog steeds gedeeltelijk aangevoerd door de Roodloop. Het water zal deze kleur gekregen hebben door het oer, een ijzerhoudende aarde. In gebieden met veen krijgen waterloopjes ook vaak de naam: bever. Een synoniem van ‘bever’ was ‘rogge’, zij het dat dit laatste meer betrekking heeft op de roodbruine aarde dan op het veen.

Toen in 1629 het verdrag van de overgave van Den Bosch getekend was, werd de situatie voor de gelovigen in onze regio erg moeilijk en in 1636 volgde de definitieve ontruiming van de kerk en ontstond er een leegloop van geestelijken. Alle roomse goederen werden verbeurd verklaard en ook de inkomsten daaruit waren voor de katholieken verloren. Aan het verdwenen Mariakapelletje aan de Voort in de Borchstad, gelegen aan de brug van de Roodloop juist ten oosten van de huidige Tilburgseweg, was geen beneficie verbonden. In 1643 werd het Onsen Lieff Vrouwenkesken nog gerepareerd door de Beekse kerkfabriek voor ruim 69 gulden. Met een offerblok en een schilderij werd het interieur fraai ingericht en de inkomsten bleven gestaag binnenstromen. Het beeldje van Maria kreeg natuurlijk een prominente plaats in het ‘kaske’ op de zuidoost rand van de huidige Kleine Voort. Blijkbaar was het bedehuisje, er werden 1500 stenen in verwerkt, geen lang leven beschoren. Men sprak immers tien jaar later reeds van de plaats daert kesken, off daeromtrent, is affgebroecken.

Op 19 juli 1643 werd het idee geboren om het ‘beverkleurig pijpaarden beeldje’ aan een historische locatie te koppelen. Toen al was men schijnbaar de oorspronkelijke betekenis van Beverakkers, Beverstraat en Beverbrug kwijt, maar wel een lucratieve onderneming rijker. Blijkbaar heeft men twee dagen moeten vissen, want de Beekse meester Broeders schreef in 1838 dat de vier jongens op 17 juli het beeldje gevonden hadden! Ook Broeders liet doorschemeren dat het beeldje, misschien werd het net op tijd van de verwoestende ondergang gered, waarschijnlijk uit eene in oorlogstijden verwoeste Kapel afkomstig was. Enige jaren geleden heeft het Brabants Landschap het Kaskensveld, het perceeltje waarop zowel het gesloopte laat middeleeuwse Mariakapelletje als het veel latere ‘Heiligkastje’ ter ere van de ‘brugheilige’ Joannes Nepomucenus zou hebben gestaan, verkocht aan het Gilde St. Sebastiaan.

Dit Beekse gilde heeft nu het geweldige plan opgevat om ter plaatse aan het mooie groene wandelpad vanuit de Voort een ‘monumentje’ op te richten. Laten we hopen dat deze wijze mannen de ‘Biestse bedevaart’ zullen laten varen, maar dat zij meer aandacht zullen schenken aan de befaamde Beekse geleerde Martinus Becanus alias Schellekens die op 6 januari 1563 hier op een steenworp afstand werd geboren in een oudt woonhuijs inden gehuchte vande Voort by onser Lief Vrouwen kesken. Een standbeeld hier oprichten van deze beroemde Beekse ‘calvinistenhater’ lijkt mij in de huidige beeldenstormtijd wat gewaagd. Een vroom borstbeeld van deze vergeten Beekse geleerde in een sierlijk kapelletje zullen de gereformeerden en zeker de vrijmetselaars wel tolereren. Hopelijk hebben onze vermogende gildebroeders daarbij dan ook meer pijlen op hun boog dan de 1500 stenen van de restauratie van 1643. Wil men de rijke Beekse geschiedenis echt alle eer aandoen, dan kan men in het ‘kasken’ ook een offerblok voor het gilde en een schilderij voor de heemkunde aanbrengen. Of misschien wel … omgekeerd!

Vergelijkbare berichten